Hoe kan het dat er gemiddeld meer jongens dan meisjes worden geboren?

Wereldwijd worden er gemiddeld op elke 100 meisjes 105 jongetjes geboren. En dat komt goed uit, want de kans dat jongetjes of mannen ergens along the way overlijden, is veel groter. Doordat zij beginnen met een overschot, blijft er toch een evenwicht bestaan. Deze evolutionaire uitleg is duidelijk. Maar over een biologische verklaring voor deze scheve geslachtsverhouding is de wetenschappelijke wereld het nog niet eens.

Hoe zat het ook alweer? Het geslacht van de baby wordt bepaald door de zaadcel. Daarin bevindt zich óf een X-chromosoom (en dan wordt het een meisje) óf een Y-chromosoom (voor een jongetje). Een eerste logische verklaring zou dan ook kunnen zijn dat er meer zaadcellen zijn met een Y-chromosoom, waardoor de kans op een jongen groter is. Maar dat blijkt niet het geval te zijn, want de verhouding tussen ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ zaadcellen is 50-50.

Dus bedachten wetenschappers een nieuwe theorie gebaseerd op de verschillen in zaadcellen: een Y-zaadcel is lichter, en zwemt dus sneller dan een X-spermatozoïde. Het Y-chromosoom stelt namelijk – sorry mannen – niet zoveel voor. Het bevat slechts 60 miljoen bouwstenen, tegen 150 miljoen in het X-chromosoom. En die lichtere last kan een mannelijke zaadcel, in de strijd om de felbegeerde eicel, net dat broodnodige duwtje in de rug geven.

Maar die laatste theorie is, zo zegt neurobioloog Sabine Spijker, ook alweer achterhaald. “Deze hypothese is onderuitgehaald, maar een betere verklaring is er – zover ik weet – nog niet.” Dus, om een lang antwoord kort te maken: we weten het niet.

Deze vraag is verschenen in KIJK 11-2011.

Comments are closed.